Een nieuw Strafwetboek aangepast aan de 21e eeuw

Het Belgisch Strafwetboek dateert van 1867 en is hopeloos verouderd en complex. Na herhaalde pogingen doorheen de afgelopen decennia om dit te hervormen, heeft minister van Justitie Vincent Van Quickenborne nu een voorstel van een nieuw Strafwetboek klaar. Dit werd goedgekeurd door de ministerraad. Dit voorstel zorgt voor een wetenschappelijk onderbouwde, heldere en coherente visie op het Belgisch strafrecht in de 21e eeuw. Het houdt rekening met de hedendaagse maatschappelijke normen en past deze toe op een menselijke, eenvoudige en uniforme manier.

Huidig Strafwetboek gebaseerd op negentiende-eeuwse moraal

Het Belgisch Strafwetboek werd ingevoerd in 1867 en is grotendeels gebaseerd op de Code Napoleon uit 1810. De samenleving is na meer dan 150 jaar echter ingrijpend gewijzigd. Het huidige Strafwetboek hinkt al decennialang achter op de maatschappelijke normen. De visie op straffen van veroordeelden baadt in een sfeer van vergelding en boetedoening. Er wordt quasi uitsluitend gebruik gemaakt van gevangenisstraffen en geldboetes in de strafbepalingen. Nochtans heeft de wetenschap intussen vastgesteld dat bij minder zware inbreuken een gevangenisstraf meer kwaad dan goed doet.

Dat een celstraf als basisstraf niet resulteert in het gewenste effect van rehabilitatie en succesvolle re-integratie in de maatschappij, is mede een verklaring voor het feit dat in ons land 70% van de gedetineerden na vrijlating uiteindelijk opnieuw voor de rechter verschijnt. Door deze verstarring van de bestraffing kan de manier van straffen niet mee evolueren met de huidige criminologische inzichten en maatschappelijke normen.

Heel wat bepalingen, begrippen en strafbaarstellingen weerspiegelen de negentiende-eeuwse moraal en zijn niet meer verenigbaar met wat de burger verwacht van justitie. Zo was het tot voor kort zo dat een dader die bij een inbraak een diefstal en een verkrachting pleegt, strenger bestraft kon worden voor de diefstal dan voor de verkrachting. Dit was een weerspiegeling van de sterke focus op misdrijven tegen het vermogen in die tijd, terwijl er veel minder belang werd gehecht aan de aantasting van de lichamelijke of seksuele integriteit. Ook het principe van de man als meester van het gezin die binnen het eigen huishouden zelf de wet bepaalt, wordt nog steeds in het Strafwetboek weerspiegeld.

Doorheen de anderhalve eeuw sinds de invoering werden ad hoc wijzigingen aan het Strafwetboek aangebracht en bepalingen toegevoegd. De toenemende gedateerdheid van het Strafwetboek zorgde voor een exponentiële toevloed aan nieuwe regels en koterijen van diverse wetswijzigingen. Hierdoor is het Strafwetboek uitgegroeid tot een complex lappendeken dat zich zelfs door experts moeilijk laat ontrafelen, laat staan dat het vlot leesbaar is voor de burger.

Een voorbeeld van die complexiteit is het concept van de correctionalisering. Oorspronkelijk werd voorzien dat alle misdaden dienen beoordeeld te worden door een assisenjury. Hier kon al heel snel van afgeweken worden door een misdaad te herleiden tot een wanbedrijf dat voor de correctionele rechtbank moet berecht worden. Dit hield echter in dat heel wat strafmaten zoals beschreven in het Strafwetboek in de praktijk dienden aangepast te worden volgens een complexe omrekentabel. De straffen beschreven in het Strafwetboek kwamen dus niet meer overeen met de werkelijke straffen. Dit is een grote handicap voor de toegankelijkheid van dit fundamentele document.

De leesbaarheid van het Strafwetboek heeft erg geleden onder deze evoluties. Het taalgebruik in de oorspronkelijke stukken is archaïsch en de toevoegingen in verschillende tijdsgewrichten zorgen voor een fragmentair geheel dat nog nauwelijks te begrijpen is. Dat iedereen geacht wordt om de wet te kennen, is een utopie geworden.

Naar een nieuw Strafwetboek

Doorheen de Belgische geschiedenis zijn meerdere pogingen ondernomen om een algemene herziening van het Strafwetboek te bekomen. Zo werden wetenschappelijke commissies aangesteld in de periodes 1976-1979, 1983-1985, 2000-2003 en in 2015. Hoewel hierbij steeds gedegen werk werd verricht, resulteerden deze initiatieven nooit in een concrete hervorming van het strafrecht.

Bij het begin van deze legislatuur besliste minister van Justitie Vincent Van Quickenborne om de expertengroep die hierrond tijdens de vorige legislatuur reeds had gewerkt, maar de werkzaamheden staakte vanwege inhoudelijke bezwaren, opnieuw aan te stellen. De Commissie tot hervorming van het strafrecht, met een kerngroep bestaande uit professoren Joëlle Rozie, Damien Vandermeersch en Jeroen De Herdt, stuk voor stuk gerespecteerde eminenties op het vlak van strafrecht, werkte in overleg met de minister een ontwerp van nieuw Strafwetboek uit. Daarbij worden zowel Boek I, dat de algemene bepalingen van het strafrecht vastlegt, als boek II, dat de verschillende strafbepalingen behandelt, gemoderniseerd.

Op initiatief van minister Van Quickenborne werd het hoofdstuk aangaande seksueel geweld reeds concreet uitgewerkt en ingepast in het huidige strafwetboek. Dit omdat er een acute maatschappelijke nood was aan een snelle aanpassing van het verouderde seksueel strafrecht aan de hedendaagse normen. Het resulteerde in de wet van 18 maart 2022. Hierbij werd een helder seksueel strafrecht ingevoerd met nieuwe, moderne definities van strafbare feiten, waarbij het begrip toestemming centraal kwam te staan. Daarnaast werden nieuwe strafbare feiten toegevoegd en werden de strafmaten voor onder meer verkrachting verzwaard om de hedendaagse normen correct te reflecteren. Sinds 1 juni is dit nieuwe seksuele strafrecht in voege getreden. Het is een voorafname van de richting die de minister beoogt met de verdere hervorming van het volledige Strafwetboek.

De ontwerpen van Boek I en Boek II van het Strafwetboek werden respectievelijk op 8 juli 2022 en op 28 oktober 2022 in eerste lezing goedgekeurd op de ministerraad. De teksten, in totaal goed voor 1030 pagina’s, worden nu voorgelegd aan onder meer de Raad van State voor verder advies. Op basis hiervan zullen de teksten waar nodig worden aangepast en opnieuw worden besproken binnen de regering. De termijnen hiervoor in acht genomen, wil minister Van Quickenborne volgend jaar het voorstel van het nieuwe Strafwetboek kunnen voorleggen aan het parlement.

1. Sneller: heldere en eenvoudige structuur

Strafbaarstellingen in acht strafniveaus 

De coherentie van het strafrecht staat of valt met een duidelijke opdeling en verantwoording van de strafbepalingen. Daarom wordt komaf gemaakt met de wildgroei aan afzonderlijke strafmaten per inbreuk. In Boek I van het nieuwe Strafwetboek worden alle strafbepalingen ingedeeld in acht strafniveaus. Binnen niveau 1 komen de lichtste straffen voor en bij niveau 8 gaat het om de zwaarste straffen. Een hoger strafniveau betekent telkens een verhoging van de minimale en maximale straffen. In boek II van het nieuwe Strafwetboek wordt beschreven tot welk strafniveau verschillende misdrijven behoren. De achterhaalde opdeling van overtredingen, wanbedrijven en misdaden wordt daarbij afgeschaft.

Voor de feiten die onder niveau 1 vallen, zijn gevangenisstraffen niet langer mogelijk. Het gaat om zaken waarvan de wetenschappelijke consensus aangeeft dat deze geen nut hebben en de maatschappelijke normen dit ook niet verwachten. De rechter moet zich hier beroepen op andere strafmaatregelen zoals een werkstraf, een geldboete, een probatiestraf, een verbeurdverklaring en meer. Dit geldt voor feiten van bijvoorbeeld lichte vormen van vandalisme, smaad, laster, schending van het briefgeheim of onopzettelijke brandstichting door een gebrek aan voorzorg.

Bij niveau 2, voor misdrijven zoals bijvoorbeeld discriminatie, huisjesmelkerij, gewone diefstal, huisvredebreuk, schending van het geheim van het onderzoek of valsheid in geschrifte, behoort een gevangenisstraf tot 3 jaar wel tot de mogelijkheden. In deze gevallen zijn er ook andere strafvormen mogelijk en moet de rechter bij het opleggen van een gevangenisstraf motiveren waarom de doelstellingen niet bereikt kunnen worden met een ander soort straf. Dit laat toe om straffen op maat van de individuele zaak op te leggen. De rechter is vrij om hierin in eer en geweten te oordelen, maar dient er steeds op toe te zien dat daarbij gekozen wordt voor straffen die zo effectief mogelijk zijn en de kans op recidive minimaliseren.

Bij zwaardere feiten gekoppeld aan de niveaus 3 tot en met 8 is de gevangenisstraf wel nog steeds de gangbare straf.

Misdrijven van niveau 3, bestraft met celstraffen van 3 tot 5 jaar, zijn bedoeld voor feiten van bijvoorbeeld diefstal met geweld, afpersing, witwassen, publieke omkoping, en valsemunterij.

Misdrijven van niveau 4, met celstraffen van 5 tot 10 jaar, zijn onder meer foltering, ontvoering en deelneming aan een criminele organisatie als leidend persoon.

Misdrijven van niveau 5, met celstraffen van 10 tot 15 jaar, zijn onder meer gijzeling, en foltering van een minderjarige of persoon met een kwetsbare toestand

Misdrijven van niveau 6, met celstraffen van 15 tot 20 jaar, betreffen feiten van onder meer brandstichting bij nacht en gijzeling van minderjarigen.

Misdrijven van niveau 7, bestraft met 20 tot 30 jaar opsluiting, zijn onder meer doodslag, seksueel geweld met de dood tot gevolg en foltering met de dood tot gevolg.

Misdrijven van niveau 8, de hoogste schaal, worden bestraft met levenslange opsluiting. Dit geldt voor feiten zoals moord, intrafamiliale doodslag, doodslag gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer, genocide en misdaden tegen de menselijkheid.

Hoofdstraf, bijkomende straf en afschaffing vervangende gevangenisstraf

Voor elk strafniveau worden mogelijke hoofdstraffen voorzien met vastlegging van de minimale en maximale strafmaat. Dit weerspiegelt het maatschappelijk gewicht dat aan de desbetreffende strafbare feiten wordt verleend en anderzijds de individuele afweging die een rechter kan maken op basis van de elementen van het dossier. Naast de hoofdstraffen kunnen er ook bijkomende straffen voorzien worden.

Bij strafniveau 1 is de geldboete bepaald als een van de mogelijke hoofdstraffen. Bij alle andere niveaus is de geldboete een mogelijke bijkomende straf maar geen hoofdstraf. Dit betekent dat de rechter dit bijkomend kan opleggen maar hiertoe niet verplicht is. Daarnaast is een vervangende gevangenisstraf bij het niet-betalen van de geldboete niet meer mogelijk.

Verzwarende bestanddelen en verzwarende omstandigheden

Verzwarende bestanddelen bij een misdrijf brengen een verhoging van het strafniveau teweeg. Het plegen van een misdrijf waarbij het slachtoffer minderjarig is, waarbij er gewonden vallen, doden vallen of het slachtoffer zich in een kwetsbare toestand bevindt, zijn enkele voorbeelden van verzwarende bestanddelen.

Daarnaast bestaan er ook verzwarende omstandigheden. Dit zijn elementen uit het dossier die de rechter in overweging dient te nemen om een zwaardere straf uit te spreken binnen hetzelfde strafniveau.

Afschaffing correctionalisering

Met de kunstmatige opdeling tussen overtredingen, wanbedrijven en misdaden wordt komaf gemaakt. Deze opdeling heeft in principe geen nut meer en zorgt voor verwarring. In het nieuwe Strafwetboek zal enkel nog sprake zijn van misdrijven.

Het principe van de quasi automatische correctionalisering van misdaden wordt afgeschaft. Om te bepalen welke zaken door het hof van assisen behandeld moeten worden, zal worden gewerkt met een positieve lijst. Het gaat om alle misdrijven binnen niveau 8 (zoals moord) en verschillende misdrijven uit niveau 7 waarbij het criterium de dood van het slachtoffer is. Daarmee wordt de huidige situatie zoals die in de praktijk wordt toegepast, wettelijk vastgelegd. Dit zorgt voor meer rechtszekerheid, gelijkheid en coherentie. Bij een misdrijf op de positieve lijst kan met zekerheid worden gezegd dat dit voor het assisenhof behandeld zal worden. De strafmaten die in het nieuwe Strafwetboek gehanteerd worden, zullen zo rechtstreeks toepasbaar en begrijpelijk zijn voor alle burgers.

Archaïsche bepalingen geschrapt

Een aanpassing aan de 21e-eeuwse normen betekent ook dat er heel wat zaken uit het Strafwetboek gehaald worden die vandaag niet meer relevant zijn of waarvoor strafrechtelijke vervolging niet langer aan de orde is. Zo werd in het nieuwe seksuele strafrecht zelfstandig sekswerk reeds gedecriminaliseerd.

Verschillende strafbaarstellingen die in de hedendaagse context absurd geworden zijn, werden geschrapt. Wie een ‘adellijke titel geeft aan iemand die daar geen recht op heeft’ zal niet meer strafrechtelijk vervolgd worden. Hetzelfde geldt voor archaïsche bepalingen zoals ‘het verstoren van de openbare orde in markten of graanhallen’, ‘bedienden of agenten van de berg van barmhartigheid die aan anderen dan aan de officieren van politie of aan de rechterlijke overheid de naam bekendmaken van hen die in deze instelling zaken hebben gezet of hebben doen zetten’ en ‘bedrog bij de keuze van monsters van munten om gewicht van goud, zilver en andere edelmetalen te bepalen’.

Ook verschillende zaken die vandaag in de praktijk reeds enkel administratief (GAS-boete) of disciplinair vervolgd worden, verdwijnen uit de strafwet. Dit gaat onder meer over het ‘verstoren van de nachtrust’, ‘het niet-naleven van bepaalde vormvereisten door griffiers en rechters’ en verscheidene ambtsmisdrijven.

2. Menselijker: straffen op maat

Gevangenisstraf als ultimum remedium

Het belangrijkste principe van het nieuw Strafwetboek is dat de gevangenisstraf niet voor elk misdrijf de meest effectieve straf is. De gevangenisstraf wordt enkel voorzien in verhouding met het gepleegde feit en wanneer er geen andere manier bestaat om de maatschappij te beschermen of om een dader tot inkeer te brengen. De wetenschappelijke bevindingen wijzen er al langer op dat gevangenisstraffen bij lichte misdrijven meer schade teweegbrengen en de kans op recidive verhogen. Andere strafvormen kunnen er in bepaalde omstandigheden beter toe bijdragen dat de onderliggende oorzaken bij de veroordeelde worden aangepakt en men zo niet hervalt in hetzelfde crimineel gedrag.

Daarom zijn bij de misdrijven van niveau 1, de lichtste misdrijven, geen gevangenisstraffen meer mogelijk. De rechter moet zich hier beroepen op andere strafmaatregelen zoals onder meer een werkstraf, een geldboete, het opleggen van voorwaarden en een verbeurdverklaring en meer. Dit laat de rechter toe om een gepaste straf uit te spreken op maat van de dader. Dit is ook het achterliggende principe bij misdrijven van niveau 2, waar de gevangenisstraf niet de eerste keuze is. Hiermee maken we de straffen niet alleen menselijker maar vooral resultaatgericht.

Breder arsenaal om effectiever straffen 

De rechter krijgt in het nieuw Strafwetboek meer mogelijkheden om straffen te diversifiëren. Er kan gekozen worden voor de verplichte behandeling onder vrijheidsberoving. De rechter kan ook steeds een geldboete opleggen op basis van het financieel voordeel dat uit het misdrijf werd gehaald, niet te verwarren met de reeds bestaande verbeurdverklaring. Zo wordt een passende straf mogelijk voor fraude- en andere misdrijven waarbij de mogelijke boete ingecalculeerd wordt tegenover de geboekte winst.

Het toepassingsgebied van bepaalde reeds bestaande strafvormen wordt daarnaast uitgebreid naar meer strafbaarstellingen. Zo kan het rijverbod worden opgelegd in andere gevallen dan verkeermisdrijven. Dit kan bijvoorbeeld nuttig zijn wanneer er een verband is tussen het gebruik van de wagen en het misdrijf, zoals een drugskoerier of een inbrekersbende die zich verplaatst met de wagen.

En andere straf die breder kan opgelegd worden, is het beroepsverbod. In het huidige strafwetboek is het opleggen van een beroepsverbod namelijk enkel mogelijk bij bepaalde inbreuken zoals zedenfeiten, fiscale misdrijven en drugshandel. Het toepassingsgebied wordt veralgemeend in het nieuwe Strafwetboek. De rechter zal dit kunnen opleggen wanneer ernstig misbruik van het beroep werd gemaakt om een strafbaar feit te plegen of wanneer zou blijken dat een voortzetting van de beroepsuitoefening een maatschappelijk gevaar zou impliceren.

Ook andere bestaande alternatieve straffen zoals de werkstraf, geldboete of elektronisch toezicht worden breder toepasbaar gemaakt.

Tot slot kan de rechter verplichte probatiestraffen opleggen zoals cursussen voor agressiebeheersing, opname in een afkickcentrum, werken met (verkeers)slachtoffers en andere. Van dit soort straffen is wetenschappelijk aangetoond dat ze daders effectiever tot inkeer brengen en zo de maatschappij beter te beschermen tegen recidive. Wanneer men deze probatiestraf niet tot een goed einde brengt, volgt alsnog de effectieve (gevangenis)straf die de rechter heeft voorzien.

Betere opvolging van daders met psychiatrische stoornissen

In het huidige Strafwetboek wordt toerekeningsvatbaarheid op een binaire wijze benaderd. Ofwel wordt een dader toerekeningsvatbaar verklaard en kan hij of zij worden veroordeeld tot een (gevangenis)straf, ofwel is iemand ontoerekeningsvatbaar en wordt er overgegaan tot de internering.

Er zijn echter heel wat daders met psychiatrische stoornissen die onder geen van beide categorieën vallen. Hun toerekeningsvatbaarheid is verminderd, maar niet in die mate dat ze helemaal niet de strafrechtelijke gevolgen van hun daden moeten dragen. Daarom is de verplichte behandeling met opsluiting als nieuwe straf opgenomen in het ontwerp van het nieuw Strafwetboek. Deze straf, bijvoorbeeld voor daders met onderliggende stoornis, vindt plaats in een gesloten forensische instelling.

Voor daders bij wie er wordt geoordeeld dat er na het uitzitten van hun gevangenisstraf nog steeds een groot recidiverisico zal bestaan, is er in het huidige Strafwetboek het systeem van terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank. Dit betekent dat de strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen om iemand langer in de gevangenis te houden of langer onder toezicht te plaatsen, zelfs al is de gevangenisstraf verstreken. De verplichte terbeschikkingstelling zal voortaan ook gelden bij verkrachting van minderjarigen naast de reeds bestaande categorieën.

Het systeem van terbeschikkingstelling zal op termijn, eens er voldoende aanbod is in het forensisch circuit, worden vervangen door het principe van de verlengde opvolging na strafeinde. Deze verlengde opvolging zet in op behandeling en moet uitgevoerd worden buiten de gevangenis. De verlengde opvolging kan door een rechter worden uitgesproken bij misdrijven van niveau 3 of hoger en zal verplicht worden in dezelfde gevallen als bij de terbeschikkingstelling.

3. Straffer: hedendaagse strafbaarstellingen en strafmaten

Intrafamiliaal geweld

In de hervorming van het Strafwetboek werden deze in overeenstemming gebracht met de hedendaagse maatschappelijke normen en verwachtingen. Deze modernisering werd reeds ingevoerd bij het nieuw seksueel strafrecht, maar wordt nu ook doorgevoerd in het volledige Strafwetboek.

Dit geldt ook voor feiten van intrafamiliaal geweld. In onze samenleving worden vrouwen buitensporig veel blootgesteld aan gewelddaden, waaronder partnergeweld. De maatschappij verlangt terecht van de wetgever dat hier streng tegen wordt opgetreden. Daarom wordt de strafbaarstelling intrafamiliale doodslag ingevoerd. Dit wordt bestraft met een levenslange gevangenisstraf (niveau 8). Wanneer iemand zijn partner doodt als gevolg van intrafamiliaal geweld wordt dit strafrechtelijk op hetzelfde niveau gesteld als moord. Daarmee wordt, met respect voor het gelijkheidsbeginsel, uiting gegeven aan het voornemen van de regering om dodelijk partnergeweld strenger te bestraffen.

Voor diverse feiten zoals foltering, onmenselijke en onterende behandeling wordt de strafmaat steeds in een hoger niveau gezet als dit plaatsvindt in een intrafamiliale context. Intrafamiliaal is dus een verzwarend bestanddeel. Ook als het om een ex-partner gaat, zijn deze zaken van toepassing.

Nieuw is bovendien dat voor elke vorm van intrafamiliaal geweld die wordt gepleegd in het bijzijn van een minderjarige dient uitgegaan te worden van een verzwarende omstandigheid. In navolging van het reeds ingevoerde seksueel strafrecht is dit een duidelijk maatschappelijk signaal dat intrafamiliaal geweld op geen enkele manier wordt getolereerd en strenger bestraft zal worden.

Discriminatie

Voor elk soort misdrijf zal een discriminerende drijfveer als verzwarende omstandigheid gelden. Omdat we vaststellen dat discriminatie zich op heel veel verschillende manieren kan uiten, wordt de discriminerende drijfveer als mogelijk verzwarende omstandigheid voorzien voor elk misdrijf. De reeds bestaande discriminatiegronden worden daarbij uitgebreid met genderidentiteit en genderexpressie. Dit zal bijvoorbeeld toelaten om strenger op te treden wanneer er sprake is van vandalisme of bedreigingen tegenover een holebikoppel omdat ze hand in hand op straat lopen.

Zelfdoding

Aanzetten tot zelfdoding wordt in het nieuw Strafwetboek strafbaar. Bepaalde cases uit het recente verleden hebben aangetoond dat het huidige Strafwetboek tekortschiet bij gevallen waarin iemand wordt aangespoord om zich van het leven te beroven. De aanzetting kan zowel psychisch als materieel van aard zijn. Psychisch wanneer men bijvoorbeeld op iemand inpraat om hem of haar ervan te overtuigen zich van het leven te beroven, materieel voorzien wanneer men weet dat iemand met suïcide gedachten kampt en bijvoorbeeld een wapen ter beschikking stelt.

Nieuwe regels voor rechtspersonen

Ook voor rechtspersonen gelden nieuwe regels in het voorstel van nieuw Strafwetboek. Bij het opleggen van boetes wordt geen ingewikkeld systeem van omrekeningen meer gehanteerd. Dezelfde geldboetes opgenomen binnen de acht strafniveaus voor natuurlijke personen worden gehanteerd voor rechtspersonen. Geldboetes zijn in tegenstelling tot bij natuurlijke personen wel nog steeds als hoofdstraf van toepassing op rechtspersonen. Maar naast deze geldboetes is er meer strafdifferentiatie mogelijk.

Naar analogie met de werkstraf voor natuurlijke personen, wordt ook voor rechtspersonen een dienstverleningsstraf voorzien. Dit gaat om een verplichting tot het verlenen van bepaalde diensten ten gunste van en als wederdienst voor de gemeenschap. Dit is bijvoorbeeld een verplichting om een bepaald gebied te saneren indien er sprake is van ernstige vervuiling. Eveneens wordt de probatiestraf toepasbaar op rechtspersonen en kan een onderneming dus voorwaarden moeten naleven. De rechter kan ook de sluiting van een inrichting of een verbod op bepaalde activiteiten opleggen.

Minister van Justitie Vincent Van Quickenborne: “Het Strafwetboek is een fundament van justitie. Het bepaalt wat we als samenleving als criminele feiten beschouwen en welke straffen we daarvoor vastleggen. Het huidige Strafwetboek dateert van 1867. Het is hopeloos verouderd en enorm complex. Een juridisch lappendeken vol koterijen waar enkel experts nog aan uit geraken. Al 50 jaar wordt er getracht om dit te moderniseren en dat doen we nu eindelijk. Met dit breed gedragen ontwerp zorgen we voor een modern strafwetboek dat zwaardere straffen oplegt aan de zaken waar we als samenleving strenger willen tegen optreden, zoals huiselijk geweld. En we zorgen ook voor effectievere straffen, zodat daders na hun straf geen nieuwe slachtoffers meer maken. Dit alles doen we met een strafwetboek dat helder en eenvoudig is opgesteld zodat iedereen het begrijpt en weet waar men aan toe is.”

Perscontact

Edward Landtsheere

Woordvoerder

edward@teamjustitie.be

+32 479 44 93 29